Hoofdstuk 6

Feitelijke uitgangssituatie

Feitelijke uitgangssituatie

Dit hoofdstuk beschrijft de huidige energie-infrastructuur in de wijk en vormt daarmee het fundament voor alle verdere toekomstverkenningen in dit rapport.

De analyse is opgebouwd op basis van open data, onder andere van netbeheerders en landelijke registers, en is in de voorgaande stappen verrijkt met wijkgerichte informatie over woningen van bewoners, woningcorporaties (woco) en utiliteitsgebouwen.

Dit hoofdstuk is cruciaal, omdat alle scenario's, keuzes en beleidsopties voor de energietransitie in de wijk hier direct op voortbouwen.

Gasnet

De wijk Achterwillens is aangesloten op het regionale aardgasnet van Liander. Het gasnet in Gouda bestaat grotendeels uit leidingen die in verschillende perioden zijn aangelegd, van midden 20e eeuw tot recentere uitbreidingen, en wordt door Liander structureel geinspecteerd en waar nodig vervangen om de veiligheid te borgen.

Elektriciteitsnet (E-net)

Achterwillens valt binnen het verzorgingsgebied van Stedin (regionaal) en TenneT (hoogspanningsnet). In Gouda en Noordelijk Zuid-Holland staat het elektriciteitsnet aantoonbaar onder druk door de groei van elektriciteitsvraag, onder meer door warmtepompen, elektrisch vervoer en opwek.

Voor grootverbruikersaansluitingen (>3x80 A) geldt in delen van Gouda een situatie van (dreigende) netcongestie, waardoor nieuwe of zwaardere aansluitingen op een wachtlijst kunnen komen. Voor woningen en andere kleinverbruikers is volgens de beschikbare informatie nog wel ruimte voor nieuwe aansluitingen, al wordt flexibel gebruik van elektriciteit (piekmijden) steeds belangrijker.

De primaire verwarmingswijze beschrijft het systeem dat hoofdzakelijk wordt ingezet voor ruimteverwarming.

Het grootste deel van de wijk wordt primair verwarmd met een gasketel. Dit betreft circa 73% van de objecten met een bekende verwarmingswijze. Daarnaast maakt een aanzienlijk deel gebruik van blokverwarming: ongeveer 25% van de bekende systemen valt in deze categorie. Samen vormen gasketels en blokverwarming verreweg het dominante deel van de huidige verwarmingsinfrastructuur.

Primair op warmtepompen gebaseerde systemen komen slechts in beperkte mate voor. Hybride warmtepompen maken circa 1,2% uit van de bekende systemen. Luchtwarmtepompen en bodemwarmtepompen komen incidenteel voor en vertegenwoordigen samen minder dan 1% van het totaal.

Verdeling van primaire verwarmingssystemen op basis van objecten met bekende primaire verwarmingswijze (n = 1084).

Verdeling van typen bijverwarming op basis van functionele bijverwarmingsvermeldingen (n = 141). Meerdere vermeldingen per woning zijn mogelijk.

In een deel van de woningen wordt naast de primaire verwarmingswijze gebruikgemaakt van bijverwarming. Voor ruim de helft van de registraties geldt dat er geen bijverwarming wordt toegepast. Deze woningen vertrouwen volledig op het hoofdverwarmingssysteem voor ruimteverwarming.

Wanneer wel sprake is van bijverwarming, gaat het meestal om een beperkt aantal herkenbare categorieen. De meest voorkomende vormen zijn houtkachels en infraroodtoepassingen. Daarnaast maken sommige woningen gebruik van zonneboilers of open haarden als aanvullende warmtebron.

Naast deze categorieen komt een groep aanvullende oplossingen voor die minder frequent voorkomen, maar inhoudelijk goed te typeren zijn. Dit betreft voornamelijk elektrische bijverwarming, zoals elektrische kachels, convectoren en elektrische vloerverwarming, en airco-toepassingen die incidenteel ook voor verwarming worden ingezet. In enkele gevallen is sprake van andere, specifieke oplossingen zoals een gashaard of niet-elektrische vloerverwarming.

Gasgebruik

Deze kaart geeft het huidige gasverbruik van woningen weer. Het gasverbruik verschilt duidelijk per woning en laat zien waar relatief weinig en juist veel gas wordt gebruikt.

Elektriciteitsgebruik

Deze kaart toont het huidige elektriciteitsverbruik van woningen. De verschillen tussen woningen maken zichtbaar waar het elektriciteitsgebruik hoger of lager ligt.

CO2-emissie

De CO2-emissie per woning geeft inzicht in de mate waarin woningen bijdragen aan de uitstoot van broeikasgassen door energiegebruik. Op basis van de beschikbare gegevens is voor alle woningen de actuele jaarlijkse CO2-emissie in beeld gebracht en geclassificeerd in zes emissieklassen.

Isolatiestatus

Deze kaarten geven inzicht in de huidige isolatiekwaliteit van woningen. Per woning is zichtbaar hoe goed onderdelen zoals wand, vloer, dak en ramen zijn geisoleerd. Daarnaast toont het isolatielabel een totaalbeeld. De kaarten helpen om verschillen in isolatieniveau ruimtelijk te vergelijken.

Zonnepanelen

Deze kaart toont welke woningen beschikken over zonnepanelen en, waar beschikbaar, hoeveel deze panelen opwekken.

Kookwijze

De kookwijze laat zien of woningen gebruikmaken van gas of elektriciteit voor koken. Elektrisch koken, zoals inductie, wijst op een verminderde afhankelijkheid van aardgas en vormt een belangrijke stap richting een volledig gasloze woning.

Leeftijd hoofdverwarming

De leeftijd van het hoofdverwarmingssysteem geeft inzicht in de technische staat en resterende levensduur van installaties. Oudere systemen naderen vaker een vervangingsmoment en bieden daarmee kansen voor de overstap naar duurzame alternatieven.

Al gasloos

Een klein deel van de woningen is al volledig gasloos. In deze woningen wordt geen aardgas meer gebruikt voor verwarming, warm tapwater of koken. Dit betekent dat zij volledig afhankelijk zijn van elektriciteit (bijvoorbeeld via een warmtepomp) of collectieve oplossingen.

Van alle woningen in de dataset zijn 7 woningen al gasloos, tegenover 2.000 woningen die nog aardgas gebruiken. Dat onderstreept dat gasloos wonen op dit moment nog een uitzondering is en dat het grootste verduurzamingspotentieel ligt bij woningen die nu nog (deels) afhankelijk zijn van aardgas.

Aandeel gasloze woningen versus woningen die nog aardgas gebruiken

Nu

mrt 2024

sep 2024

mrt 2025

sep 2025

mrt 2026

sep 2026

jan 2027

Hoofdstuk 6: Feitelijke uitgangssituatie is tot stand gekomen na de afronding van BWW stap 2: Inbreng van deelnemers.